Dag 18 – Ain al-Hilweh

Sinds een week of zo logeert in de kamer naast mij Nanendra Krishnamurti, een Brit van Sri Lankese (Tamil) afkomst die in Cambridge als historicus doctoreert, en voor zijn onderzoek al een paar maanden in het Midden-Oosten verblijft (meest recent in Qatar) om oude vossen van de PLO, de Baath en andere Arabische nationalistisch-seculaire organisaties te interviewen over hun strijdbare verleden. Hij komt voortdurend met hoogdravende verhalen af over hoe belangrijk de man wel was die hij vandaag of gisteren is gaan interviewen, en hoeveel contacten op hoog niveau hij wel niet had via zijn Palestijnse vriendin. We dachten hier allemaal dat hij een beetje overdreef en dat het allemaal wel zou loslopen. Maar gisteren vond ik uit dat hij toch niet zo’n opschepper is. Een paar dagen geleden vroeg hij of ik zin had om mee naar Ain al-Hilweh te gaan, waar hij iemand ging interviewen waarvan ik de naam niet verstond (Krishna’s beheersing van het Arabisch is vrij rudimentair, zelfs in vergelijking met die van mij, die ook nog nergens staat), maar die (volgt een vage uitleg) ‘een zeer belangrijk figuur was’. Vermits ik geen plannen had voor die dag, en sowieso nog niet in Ain al-Hilweh of eender welk Palestijns vluchtelingenkamp geweest was, zag ik dat wel zitten. Dus wij dinsdagmorgen de bus op richting Sidon (Saida). Ain al-Hilweh is het dichtst bevolkte (80 à 90.000 man op zo’n anderhalve vierkante kilometer) en het beruchtste (wegens hoge concentratie militanten en gewapende groeperingen) van de Palestijnse kampen in Libanon. Het bevindt zich vlak buiten Saida. We nemen vanop het busstation een taxi, waarvan de chauffeur, Fadi – ons 15 dollar vraagt (ter vergelijking: de rit van Beiroet naar Saida kost 1 dollar) omdat het ‘zo’n gevaarlijke rit is en we hem nodig hebben om met de LAF-checkpoints te onderhandelen’. De rit duurt exact 8 minuten, inclusief files en stoplichten, en we beginnen ons al in ‘t zak gezet te voelen, als na een kwartier onderhandelen met de soldaten aan het checkpoint blijkt dat ik een andere permit van het leger nodig heb om het kamp in te kunnen, omdat die van mij enkel geldig is voor Zuid-Libanon. Gelukkig is het hoofdkwartier van het leger vlakbij, en met Fadi’s hulp raakt alles vrij snel geregeld. Ik kan nu tot het eind van de maand het kamp in en uit as I please – ik begin ondertussen trouwens een aardige verzameling permits aan te leggen. De soldaten zijn zeer onder de indruk (en kijken zeer bezorgd) als ze horen dat we een afspraak hebben met Munir al-Maqdah. Ik denk: hij is blijkbaar toch wel een beetje belangrijk. Ze schrijven minutieus al onze gegevens op, telefoneren onze aanwezigheid door naar hun oversten, eisen dat we onze telefoonnummers geven en noemen ons een nummer om te bellen als er een probleem is. Als hun officier arriveert om alles te ondertekenen, kunnen we eindelijk doorrijden.

Boven de ingang van het kamp hangt een groot bord waarop Arafat en Saddam Hussein (steunpilaar van de PLO tot het (i.e. zijn) bittere einde) elkaar beminnelijk aankijken. Het kamp zelf is een ongelooflijke hoop miserie en vuiligheid op mekaar: nauwe, stinkende steegjes vol afval en modderplassen, rudimentaire huizen uit breeze blocks, plastic en zinken platen, stroomkabels die op kophoogte (voor mij dan) onbeschermd van huis naar huis lopen en in onontwarbare trossen boven de straten hangen, vrijwel nergens een open ruimte. Bijna alle auto’s zijn (nog net) rijdende wrakken en overal zijn veel te veel mensen samengepropt in veel te kleine ruimtes. Het is de Palestijnen in Libanon verboden beton, bekabeling of andere ‘materialen die kunnen dienen om permanente behuizing te bouwen’ binnen te brengen in de kampen. (Het Libanese leger mag, door een overeenkomst uit 1969, niet binnen in de kampen, waar de PLO in theorie de orde bewaart, maar controleert de kampen desalniettemin strikt door middel van tientallen checkpoints aan elke in- en uitgang en permanente patrouilles rond de perimeter van de kampen.) Zoals de Palestijnen ook uitgesloten zijn van de Libanese gezondheids- en onderwijssystemen, de Libanese nationaliteit en burgerrechten, en het uitoefenen van een 70-tal beroepen, waaronder zowat alles wat lucratief is of goed betaald wordt.

Het beeld van Arafat is overal, op foto’s en posters, gegrafitti’d op elke muur, als zonnewering op elke autoruit. Na nauwelijks honderd meter zegt Fadi: ‘the Palestinian CIA is coming’ en een jonge kerel, in het zwart gekleed en met achteruit gegeld haar (volgens Krishna met zeep) stapt mee in de auto en dirigeert ons door enkele van de nauwe steegjes naar een anoniem huis, waar enkele mannen in geïmproviseerde halve uniformen met kalashnikovs heen en weer lopen. Enkele van de camouflage fatigues zien er wel bijzonder US Army uit en enkele van de machinegeweren zijn zeker geen kalashnikovs of (FN) MP5’s. Hoeveel wapens en uniformen waren de Amerikanen ook weer ‘kwijtgeraakt’ in Irak? We stappen uit en nemen afscheid van Fadi, die blij lijkt dat hij weg kan. Door een wirwar van nog nauwere steegjes en gootjes worden we te voet verder geleid, in verwarrend tegengestelde richtingen, hier enkele trappen op daar weer trappen af (niet nodig om mensen hier te blinddoeken, je vindt nooit meer je weg terug als ze je alleen laten) tot we bij een poort aankomen waar een nog grotere concentratie geezers with guns rondhangt, waarvan er één ons het kantoor binnenleidt van de man die we zoeken, en die het hoofd blijkt te zijn van de militaire vleugel van de PLO/Fatah in Libanon. De Israeli’s beschuldigen Munir al-Maqdir van het financieren van de Al Aqsa Martyr Brigades en het trainen van honderden suicide bombers. Volgens hen is hij ook de contactpersoon tussen Hamas en Hezbollah, en tussen de Iraanse Revolutionaire Wacht en Hamas. Hij was nummer 5 in een pak kaarten dat de Israeli’s enkele jaren geleden maakten (om mij volledig onbekende redenen een pak met slechts 38 kaarten) van hun favoriete Palestijnse ‘terroristen’ en is in Jordanië in absentia veroordeeld tot de doodstraf voor de organisatie, financiering en bewapening van de Jordanian Millennium Conspiracy. Hij organiseerde het hevige verzet tegen de Israelische invasie van het Ain al-Hilwah kamp in 1982, dat de IDF wekenlang tegenhield op weg naar Beiroet, en overleefde naar eigen zeggen al meer dan 100 anslagen op zijn leven. Maar hier in Libanon is Generaal Munir al-Maqdah dus het hoofd van de militaire Fatah-vleugel en in Ain al-Hilweh, sinds de op 11 augustus doorgevoerde shuffle aan de top van de Libanese PLO-leiding, commandant van de veiligheidsdienst, belast met het sociaal en cultureel reorganiseren van de Palestijnse gemeenschap en het counteren van de invloed van fundamentalisten, takfiri’s en andere ongure Al Qaeda-types op de kwetsbare jeugd in de kampen.

Eenmaal voorbij de kalashnikovs, worden we ontvangen met Arabische hartelijkheid en gastvrijheid en krijgen we eindeloze hoeveelheden zoete thee en koffie te verwerken terwijl we wachten, en wachten, en wachten, … tot de drukbezette generaal ons kan ontvangen, waarop we nog eens wachten tot de PLO-tolk arriveert. Krishna interviewt de man een klein uur over zijn Fatah-verleden, zijn ideologische en strategische standpunten, vraagt hem waar hij overal training heeft gekregen, wat zijn mening is over verleden en toekomst van Fatah, etcetera. Als het eindelijk aan mij is – ondertussen is de stroom al een drie kwartier ‘op’ gutsen we van het zweet, solidair meelijdend in de Palestijnse hel – excuseert de man zich voor 2 minuten, die langzaamaan evolueren tot 2 uur. Uiteindelijk worden we naar de privé-woonst van al-Maqdah geleid, verbazend koel en (relatief) luxueus ingericht in vergelijking met het schamele kantoor waar hij werkt – en krijg ik mijn kans om hem te interviewen. Duidelijk blij dat hij het terug over het heden kan hebben, staat hij mij een uur lang gewillig te woord, vertelt over de heropbouw van de lang verwaarloosde sociale cohesie en culturele werking in het kamp, de dialoog tussen de verschillende Palestijnse facties en groeperingen, het gloednieuwe sport- en recreatiecentrum en dito ziekenhuis, beiden enig in hun soort in de Libanese kampen, gefinancierd door Palestijnse en buitenlandse charities en geld dat hij persoonlijk losgepeuterd heeft van sheikh Khalifa van de Verenigde Arabische Emiraten. Hij heeft het over zijn onderhandelingen met de Libanese regering en de verschillende politieke partijen over de verbetering van de economische en humanitaire situatie van de Palestijnen en over het vergeten van het verleden en rancune, en het werken aan de gezamenlijke toekomst van Libanezen, Palestijnen en alle Arabieren. Het is duidelijk dat de plotse schok van Fatah al-Islam en de ‘opening van een Al Qaeda-front in Libanon’ een kentering heeft teweeggebracht, alvast bij de Palestijnen. Hij verzekert mij, als ik hem dat vraag, dat de Palestijnen, net zoals het Libanese leger, vorig jaar tijdens de Israelische aanval, ‘al hun wapens, materiaal en logistieke capaciteiten ter beschikking hebben gesteld van het verzet tegen de inval’ en is opvallend optimistisch over het nakende einde van de VS als supermacht en Israel als racistische apartheidskolonie.

Ik weet terwijl ik Munir al-Maqdah interview eigenlijk nog vrijwel niets af van al zijn wapenfeiten die ik hierboven beschrijf – vermits ik op voorhand niet wist wie we gingen zien en vooral meeging om het kamp te bekijken, had ik ook geen research gedaan, en in het droge, academisch gerichte interview van Krishna vertelde al-Maqdah wel dat hij al sinds zijn 10de jaar bij Fatah was, en had deelgenomen aan een hoop activiteiten – maar de concrete details kwamen niet aan bod. Dit is dan ook waarschijnlijk het meest onbevooroordeelde – of zelfs naïeve – interview dat ooit van de man is afgenomen… Van de andere kant gaf mijn onwetendheid hem natuurlijk de kans om het bijna uitsluitend over zijn nieuwe project te hebben. Na afloop bedankte hij ons dan ook hartelijk en uitvoerig en vroeg met aandrang – waarschijnlijk wantrouwig omdat hij verwachtte dat er toch ergens een addertje onder het gras zat – om ‘het interview fair weer te geven zoals het was’.

Ik vind hem vooral een heel minzame, bedachtzaam sprekende, intelligente en sterke man, en ben onder de indruk van het begrip en de vergevensgezindheid die hij aan de dag kan blijven leggen voor de mensen die hem al heel zijn leven in kampen opsluiten en uit hun maatschappij uitsluiten (de Libanezen), en zijn compromisbereidheid tegenover de mensen die hem al heel zijn leven uit zijn vaderland weghouden en proberen te vermoorden (de Israeli’s dus – zoals de meeste PLO-mensen van de oude garde is hij voorstander van een één-staat-oplossing, met een democratie waarin niet alleen plaats is voor de Arabieren – christenen en joden evengoed als moslims – maar zelfs voor de Europese en Amerikaanse ashkenazi-immigranten die er de laatste 80 jaar zijn komen wonen).

Ter afscheid worden we opnieuw overstelpt met thee en koffie en krijgen een lift aangeboden naar ‘eender waar we naartoe willen in Libanon’ – in ons geval eender welk restaurantje in Sidon, we hebben ondertussen gruwelijke honger gekregen. De soldaten aan het checkpoint zijn erg blij ons terug te zien, wat we toch een beetje raar en overdreven vinden. ‘s Avonds begin ik hem te googlen en besef dan pas met wie we gesproken hebben…

One thought on “Dag 18 – Ain al-Hilweh

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s